Welk spoor volgen wij?
In het vorige hoofdstuk zagen we wie wij samen zijn: de Gemeente, Zijn Lichaam. Christus is het Hoofd en wij zijn leden van dat ene Lichaam.
Daarmee verandert ook de vraag naar ons samenkomen. Niet eerst: Welke vorm moeten wij kiezen? Maar: Hoe wil Christus dat Zijn Lichaam groeit en wordt opgebouwd?
Paulus begint de praktische uitwerking in Efeze 4 bij wat God al gegeven heeft.
Eén Lichaam. Eén Geest. Eén hoop. Eén Heere. Eén geloof. Eén doop. Eén God en Vader. Onze wandel begint daarom niet met het maken van eenheid, maar met wandelen vanuit de eenheid die God heeft gegeven.
Paulus laat vervolgens zien waar de bediening binnen het Lichaam op gericht is:
De heiligen worden toegerust tot het werk van dienstbetoon, tot opbouw van het Lichaam van Christus. De leden zijn dus niet alleen aanwezig bij de Gemeente; zij worden toegerust om te dienen en zo bij te dragen aan de opbouw van het Lichaam.
Die opbouw heeft een richting:
Paulus spreekt over de eenheid van het geloof, kennis van de Zoon van God, volwassenheid en opgroeien in Hem Die het Hoofd is: Christus. Het spoor loopt dus niet naar steeds meer menselijke vorm, maar naar Christus. Hij is het Hoofd en het Lichaam groeit naar Hem toe.
Paulus beschrijft vervolgens hoe het hele Lichaam groeit:
Vanuit Christus wordt het hele Lichaam samengevoegd en bijeengehouden. Ieder deel draagt naar zijn maat bij. Zo verkrijgt het Lichaam zijn groei tot opbouw van zichzelf in de liefde. De opbouw van de Gemeente loopt daarom vanuit het Hoofd, door de leden, tot groei van het Lichaam.
Ook in Romeinen gebruikt Paulus het beeld van het lichaam:
Wij zijn één Lichaam in Christus, maar afzonderlijk leden van elkaar. Samenkomen gaat daarom niet alleen over wat ik ontvang, maar ook over de vraag: Hoe kan wat God mij gegeven heeft bijdragen aan de opbouw van de ander?
Wanneer Paulus rechtstreeks over het samenkomen van de Korinthiërs spreekt, geeft hij een eenvoudige richting:
Laat alles gebeuren tot opbouw.
Die veelheid aan bijdragen betekent bij Paulus niet dat orde onbelangrijk wordt.
Laat alle dingen op een gepaste wijze en in goede orde gebeuren. De vraag is dus niet óf er orde is, maar of die orde de opbouw van het Lichaam dient.
De vraag naar een samenkomst wordt daarmee niet eerst: Welke vorm hoort erbij? Maar: Draagt wat wij doen bij aan de opbouw van het Lichaam van Christus?
Paulus laat ook zien wat onze onderlinge omgang vult:
Laat het Woord van Christus in rijke mate in u wonen, in alle wijsheid; onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht. Daarmee komt de lijn van deze avond opnieuw samen: Christus is het Hoofd, Zijn Woord woont onder ons, de leden dienen elkaar en het Lichaam wordt opgebouwd.
We begonnen met verschillen tussen gelovigen en vroegen vervolgens waar wij ons bevinden. We zagen dat onze positie rust op Gods genade, dat de verborgenheid nu geopenbaard is en dat de Gemeente Zijn Lichaam is. Nu zien we ook de richting van dat Lichaam: vanuit Christus als Hoofd, door de leden, tot opbouw.
Dan blijft er nog één persoonlijke vraag over:
Waar bracht dit spoor mij?
7. Waar bracht dit spoor mij?
De Gemeente hoeft haar eenheid niet zelf te maken. Paulus begint bij één Lichaam en bij Christus als Hoofd. De heiligen worden toegerust tot dienstbetoon en tot opbouw van het Lichaam van Christus.
Die opbouw heeft een richting: eenheid van het geloof, kennis van de Zoon van God en geestelijke volwassenheid in Christus. Vanuit het Hoofd draagt ieder deel naar zijn maat bij aan de groei van het Lichaam. Daarom zijn wij niet alleen leden van Christus, maar ook leden van elkaar.
Voor ons samenkomen geeft Paulus twee verbonden richtingen: laat alles gebeuren tot opbouw, en laat alle dingen op een gepaste wijze en in goede orde gebeuren.
Het spoor loopt daarom vanuit Christus als Hoofd, door de leden, in orde en tot opbouw van Zijn Lichaam.
Daarmee blijft nog één vraag over: Waar bracht dit spoor mij?
7. Waar bracht dit spoor mij?