Waar staan wij?

In het vorige hoofdstuk zagen we dat wat vroeger verborgen was, nu geopenbaard is. Daarmee kunnen we de vraag uit hoofdstuk 2 veel concreter stellen.

Niet alleen: Waar bevinden wij ons binnen Gods handelen?

Maar: Waar heeft God ons in Christus geplaatst?

Paulus begint zijn brief aan de Efeziërs niet met wat wij moeten doen, maar met wat God heeft gedaan.

EPH.1.3-14

Hij spreekt over geestelijke zegeningen in Christus, over uitverkiezing in Hem, aanneming door Jezus Christus, verlossing door Zijn bloed en verzegeling met de Heilige Geest. Onze positie wordt dus niet eerst beschreven vanuit wat wij op aarde organiseren, maar vanuit wat God ons in Christus gegeven heeft.

In Efeze 2 spreekt Paulus opnieuw over wat vroeger het geval was en wat nu veranderd is.

EPH.2.11-13

De heidenen waren eertijds veraf, maar zijn nu in Christus Jezus dichtbij gekomen door het bloed van Christus. Opnieuw ligt het initiatief bij God en ligt onze positie in Christus.

Paulus gaat verder en beschrijft wat Christus heeft gedaan:

EPH.2.14-18

Hij spreekt over het maken van één nieuwe mens en over verzoening van beiden met God in één lichaam door het kruis. De eenheid waarover Paulus spreekt, ontstaat dus niet doordat mensen elkaar uiteindelijk weten te vinden. Christus heeft die eenheid gemaakt.

Aan het einde van Efeze 1 noemt Paulus rechtstreeks wat de Gemeente is:

EPH.1.22-23

De Gemeente is Zijn Lichaam en Christus is boven alle dingen aan de Gemeente gegeven als Hoofd. Dat verandert de vraag naar samenkomen: voordat we vragen hoe een samenkomst eruit moet zien, moeten we eerst zien wie er samenkomen: leden van het Lichaam van Christus.

Ook aan de Korinthiërs schrijft Paulus over deze eenheid:

1CO.12.12-13

Zoals een lichaam veel leden heeft en toch één lichaam is, zo spreekt Paulus ook over Christus. Door één Geest zijn allen tot één Lichaam gedoopt. Onze samenkomst maakt ons daarom niet tot het Lichaam van Christus; wij komen samen als leden die God in Christus tot één Lichaam heeft verbonden.

Paulus gebruikt dezelfde taal in Kolossenzen:

COL.1.18

Christus is het Hoofd van het Lichaam, namelijk van de Gemeente. De identiteit van de Gemeente ligt daarom niet in een naam, gebouw, traditie of organisatievorm, maar in Christus: Hij is het Hoofd en wij zijn leden van Zijn Lichaam.

Efeze 2 eindigt met nog een beschrijving van onze gezamenlijke positie:

EPH.2.19-22

Paulus spreekt over mensen die samen worden gebouwd tot een woning van God in de Geest. Onze positie in Christus brengt ons dus ook in verhouding tot elkaar: wij zijn niet alleen in Christus, maar ook leden binnen Zijn Lichaam.

We begonnen deze avond met de vraag: Hoe komen wij eigenlijk samen? Nu hebben we eerst ontdekt wie er samenkomen. De Gemeente is niet in de eerste plaats een menselijke organisatie. De Gemeente is Zijn Lichaam.

Als Christus het Hoofd is en wij leden van Zijn Lichaam zijn, ontstaat vanzelf de volgende vraag: Hoe wil Christus dat Zijn Lichaam groeit en wordt opgebouwd?

6. Welk spoor volgen wij?

God heeft ons in Christus een positie gegeven die niet door menselijke organisatie wordt bepaald. Wij waren eertijds veraf, maar zijn nu in Christus Jezus dichtbij gekomen door het bloed van Christus. Christus heeft één nieuwe mens gemaakt en beiden met God verzoend in één Lichaam.

Paulus noemt de Gemeente rechtstreeks Zijn Lichaam. Christus is het Hoofd en wij zijn leden van het ene Lichaam. Onze samenkomst maakt ons niet tot het Lichaam van Christus; wij komen samen als leden die God in Christus tot één Lichaam heeft verbonden.

Dat brengt ons terug bij de oorspronkelijke vraag. Als dit is wie wij zijn: Hoe wil Christus dat Zijn Lichaam groeit en wordt opgebouwd?

6. Welk spoor volgen wij?