Waar bevinden wij ons?
In het vorige hoofdstuk hebben we de vraag niet opgelost. We hebben haar alleen serieus genomen.
Als oprechte gelovigen dezelfde Bijbel lezen en toch verschillende conclusies trekken, is het verstandig om niet meteen verder te redeneren. Misschien moeten we eerst stilstaan bij de plaats vanwaar wij lezen.
De Bijbel is één geheel. Toch ontvouwt zij zich niet buiten tijd en geschiedenis. Zij vertelt over echte mensen, echte beloften, echte opdrachten en echte gebeurtenissen.
Daarom begint dit hoofdstuk met een eenvoudige vraag: Waar bevinden wij ons wanneer wij de Bijbel lezen?
De Bijbel is geen verzameling losse uitspraken. Van Genesis tot Openbaring ontvouwt zich één geschiedenis waarin God spreekt en handelt.
Dat maakt de Bijbel niet minder één geheel. Het vraagt ons juist om zorgvuldig te luisteren naar waar een gedeelte zich in dat geheel bevindt.
Wanneer we de Bijbel lezen, ontdekken we dat niet alles zich op hetzelfde moment afspeelt.
Adam vóór en na de zondeval. Noach vóór en na de zondvloed. Israël vóór en na de wetgeving bij de Sinaï. De aardse bediening van onze Heere Jezus.
Dat zijn eenvoudige observaties. We lezen de opdracht aan Noach om de ark te bouwen niet alsof die vandaag aan ons gegeven wordt.
Niet alles wat in de Schrift beschreven wordt, beschrijft dus hetzelfde moment in Gods handelen.
De vraag is daarom niet alleen wat er staat, maar ook waar een gedeelte staat binnen het geheel van Gods handelen.
Paulus spreekt zelf over een verschil tussen wat vroeger was en wat nu het geval is.
Hij gebruikt woorden als eertijds en maar nu.
Dat zijn geen toevallige woorden. Paulus beschrijft een verandering: een verschil tussen wat eerder was en wat nu het geval is.
Ook hier hoeven we nog niet alle vragen over die verandering te beantwoorden. Voor nu is één ding belangrijk:
De Schrift maakt zelf onderscheid tussen wat vroeger was en wat nu het geval is.
Wanneer we de Bijbel lezen, horen we God spreken. Tegelijk zien we dat Hij spreekt tot mensen in een bepaalde situatie.
Daarom moeten we bij het lezen leren letten op vragen als:
Wie spreekt? Tot wie wordt gesproken? Wanneer wordt dit gezegd? Met welk doel?
Soms staan er in de Schrift opdrachten die ons direct aanspreken. Soms merken we dat een opdracht nauw verbonden is met de mensen die haar ontvangen.
Later lezen we opnieuw woorden van Jezus aan Zijn discipelen:
We hoeven deze gedeelten hier nog niet met elkaar te vergelijken om één ding vast te stellen: de Schrift vraagt dat we zorgvuldig luisteren naar wat er gezegd wordt, tot wie en wanneer.
Een gedeelte van de Schrift kan daarom van waarde voor ons zijn zonder dat het een rechtstreekse opdracht aan ons is.
Heel de Schrift is door God ingegeven en nuttig. Maar wat God in een bepaalde situatie aan bepaalde mensen opdraagt, moeten we niet zonder onderzoek op onszelf toepassen.
We hebben nu gezien dat de Schrift verschillende momenten beschrijft en dat Paulus zelf onderscheid maakt tussen eertijds en maar nu.
Dan komt de vraag steeds dichterbij:
Waar staan wij in het verhaal dat de Schrift vertelt?
Dat is meer dan de vraag in welke tijd wij leven. Het gaat om onze plaats binnen het handelen van God.
Waar bevinden wij ons wanneer wij de Bijbel lezen?
Wanneer wij de Bijbel openen, zijn wij niet het beginpunt van het verhaal. Gods handelen gaat aan ons vooraf. De Schrift laat zien hoe God door de geschiedenis heen Zijn plan ontvouwt en hoe mensen daarin een plaats hebben.
Daarom willen we niet ieder gedeelte onmiddellijk naar onszelf toe trekken. We willen eerst zien wat God daarin spreekt en waar dat gedeelte staat binnen Zijn handelen.
De Bijbel vormt één geheel, maar zij ontvouwt zich in een werkelijke geschiedenis waarin God spreekt en handelt.
Daarom lezen we niet alleen wat er staat, maar letten we ook op de plaats van ieder gedeelte binnen dat geheel.
De Schrift beschrijft verschillende momenten en Paulus maakt zelf onderscheid tussen eertijds en maar nu. Een gedeelte kan daarom van waarde voor ons zijn zonder dat het een rechtstreekse opdracht aan ons is.
De vraag is niet alleen:
Wat staat hier?
Maar:
Waar bevinden wij ons binnen Gods handelen?
Van daaruit kunnen we verder zoeken naar waar onze plaats op rust.
3. Waar rust het op?